Naar het fotoboek

doelen herfst- tot kerstvakantie

Rekenen

Blok 2

  • Cijferend optellen
  • Handig combineren van getallen in context gewicht
  • Aftrekken in context geld 50 cent minder
  • Optellen tot 20000 in een positieschema
  • Breuken met teller 1; hoeveel is 1/3 deel van 60 bekertjes
  • Rekenen met een verhoudingstabel
  • Introductie van de tekens < en >
  • Cijferend aftrekken
  • Schattend optellen en aftrekken tot 1000 met 3 getallen
  • Kalender
  • Lezen en interpreteren van verschillende grafieken
  • Optellen, aftrekken, vermenigvuldigingen en delen tot 100

Blok 3:

  • Breuken met teller > 1
  • Introductie van de cm3
  • Uitrekenen van het gemiddelde
  • Vermenigvuldigen en optellen van geldbedragen
  • Handig optellen van geldbedragen
  • Berekenen van afstanden
  • Werken met de verhoudingstabel afstand – tijd
  • Het vergelijken van breuken Wat is het meest?
  • Kolomsgewijs vermenigvuldigen
  • Het aflezen van digitale openingstijden
  • Delen met grote getallen met rest

Voor meer informatie: klik hier

 

Schrijven:

De hoofdletters worden herhaald en het tempo wordt verhoogd.

Lezen:

Technisch lezen op eigen AVI-niveau.

Voor thuis: boeken te leen in bibliotheek, gratis lidmaatschap voor kinderen.

Begrijpend lezen:

Twee keer per week oefenen de kinderen begrijpend lezen. Eén keer oefenen we m.b.v. Nieuwsbegrip. Dit zijn actuele teksten waarbij elke week een andere strategie geoefend wordt. Deze strategie draagt bij tot beter begrip van de tekst. De strategieën die aan bod komen zijn: voorspellen, ophelderen van onduidelijkheden, samenvatten, vragen stellen, relaties en verwijswoorden, verbanden leggen m.b.v. signaalwoorden.

Voor de 2e les begrijpend lezen maken we gebruik van een tekst die past bij het thema MI, een tekst uit het CITO-hulpboek of een leestekst die hoort bij Blits, onze methode voor studievaardigheden.

 

Woorden lezen in 1 minuut.

 

Spelling

Leerdoelen Taal actief 4: spelling 

 

1. Horen (denken), nazeggen: Goed uitspreken; wat zijn moeilijke klanken?

2. Onderscheiden (auditief): Herken ik alle klankgroepen, hoor ik waar de klemtoon is?

3. Herkennen (auditief): Herken ik de categorie? Moet ik een regel toepassen? Waar moet ik een keuze maken en wat moet ik kiezen? Waarover twijfel ik?

4. Opschrijven: Zie ik het voor me? Opletten dat ik de struikelpunten goed doe. Schrijf ik duidelijk en netjes?

5. Controleren: Heb ik aan alles gedacht? Klopt het wat er nu staat? Kan ik vertellen waarom ik het woord zo heb geschreven?

6. Toepassen in eigen teksten: Herken ik tijdens het schrijven al bekende categorieën? Herken ik welke letters bij de klanken passen?

 

De doelen waar wij deze weken aan gaan werken

 Thema 2: sport

11a: woorden met au of auw

11b: woorden met ou of ouw

30a: woorden waarbij de f verandert in v

30b: woorden waarbij de s verandert in een z

12: woorden met een i die klinkt als ie.

 

Thema 3: Mode

13a: woorden met c die klinkt als s

13b: woorden met c die klinkt als k

18a: woorden met ig

18b: woorden met lijk

27a: verkleinwoorden na de ‘d’ of ‘t’

27b: verkleinwoorden met nkje

24: verkleinwoorden met etje

 

Voor meer informatie: klik hier

 

 

Taal

Woordenschat uitbreiden met woorden van de week vanuit methode Taaljournaal en met woorden van MI-thema.

Leerdoelen Taal actief 4: Taal

Er wordt 5 keer per week aandacht besteed aan taal. Daarnaast zullen er gedurende het jaar stel-, schrijf- of presenteeropdrachten gegeven moeten worden. De taal lessen, zullen gemaakt worden op de tablets.

 

Thema 2: Sport

-          De kinderen kunnen minder frequente voorzetsels invullen in een zin

-          De kinderen leren onvoltooid verleden tijd vormen van zelfde klankwerkwoorden en leren deze toepassen in een zin

-          De kinderen kunnen het onderwerp en de persoonsvorm in een zin vinden met de getalproef.

-          De kinderen leren hoe je een afkorting maakt.

-          De kinderen kennen de betekenis van de voorvoegsels ex, ver en ont

-          De kinderen leren de stappen wat horen bij een interview

 

 

Thema 3: Mode

-          De kinderen herkennen samenstellingen van het type bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord en het type voorzetsel en zelfstandig naamwoord.

-          De kinderen leren onvoltooid verleden tijd-vormen van andere klankwerkwoorden en leren deze toepassen

-          De kinderen leren 12 themawoorden per weerk

-          De kinderen kunnen de tijdproef doen om de persoonsvorm te vinden.

-          De kinderen kunnen het verschil tussen letterlijk en figuurlijk taalgebruik herkennen

-          De kinderen kunnen de betekenis van samenstellingen achterhalen

Voor meer informatie: klik hier

 

MI:

Thema:

AK: Zuid-Nederland:

VRAGEN ZUID-NEDERLAND                                          naam: _______________

 

  1. Wat betekenen de letters NAP en leg uit wat hiermee bedoeld wordt.

 

 

 

  1. Hoe komt het dat Limburg zoveel heuvels heeft?

 

 

 

  1. Hoe komt het dat Limburg zoveel mijnen heeft?

 

 

 

 

http://allesklaar.nl/les1/heuvels.jpg

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


  1. Wat gebeurde er in Zeeland in 1953?

 

Hoe kon dat gebeuren?

 

Wat is er aan gedaan om dit te voorkomen?

 

 

 

 

  1. Wat is het verschil tussen bio-industrie en een biologische boerderij?

 

http://t3.gstatic.com/images?q=tbn:ANd9GcQkqP0-8AEJZbiv7h1wBWO7dZqnsziw4md_YRiIl-agaw1RGxG6-w

Bio-industrie:

 

 

Biologische boerderij:

 

 

 

  1. Wat kun je als toerist in Limburg, Noord-Brabant en Zeeland doen?

 

Limburg:

                                                                                                                                                                                         

 

Noord-Brabant:

 

Zeeland:

 

Natuur: herfst: het bos:

Met de kinderen gaan we het bos in. We gaan kijken hoe oud de bomen zijn, hoe eikels groeien. Hoe komt een vrucht toch een grote boom.

 

Algemeen:  Sint en Kerst

 

PBS

Elke week hebben we een regel op school waar we extra aandacht aan besteden middels gedragslessen.

De onderwerpen zijn:

Stop hou op

- Kinderen geven aan wanneer het vervelend is.

- We laten dit zien met een kaarsje

Trap

- We lopen rechts op de trap

- We lopen veilig op de trap

Plein

-We gaan met de spullen om waarvoor ze dienen

Toilet

-          We laten de toilet netjes achter voor een ander