Doelen mei-, tot zomervakantie

Rekenen

Blok 3 Blok 3

  • Breuken met teller > 1
  • Introductie van de cm3
  • Uitrekenen van het gemiddelde
  • Vermenigvuldigen en optellen van geldbedragen
  • Handig optellen van geldbedragen
  • Berekenen van afstanden
  • Werken met de verhoudingstabel afstand – tijd
  • Het vergelijken van breuken Wat is het meest?
  • Kolomsgewijs vermenigvuldigen
  • Het aflezen van digitale openingstijden
  • Delen met grote getallen met rest

Blok 4 Aftrekken tot 10000 met kleine verschillen

  • Optellen en aftrekken tot 10000 800 + ? = 2100
  • Hoofdrekenend delen met grotere getallen
  • Lezen en interpreteren van staafgrafieken
  • Introductie van het beelddiagram (pictogram)
  • Breuken met teller groter dan 1 op de getallenlijn
  • Koppeling breuken en kommagetallen
  • Cijferend optellen van meerdere getallen, ook geldbedragen

Voor meer informatie: klik hier

 

Taal

Thema 7   Boeken.

Woordenschat: Er worden in dit  thema zo’n 40 woorden aangeboden die allemaal in relatie staan met het thema Boeken.. Zoals o.a. : de redacteur, lang van stof zijn, de onderscheiding, in lichterlaaie staan, de catastrofe, verbruien, de kombuis, de verstekeling…..

Taal verkennen:

De kinderen leren:

-          Dat een persoonsvorm van eenzelfde klankwerkwoord, waarvan de stam op een d of t eindigt, in de verleden tijd met dd of tt is.

-          De kinderen kunnen van een werkwoord een zelfstandig naamwoord maken.

-          De kinderen leren persoonlijke voornaamwoorden herkennen en benoemen in een zin.

-          De kinderen kunnen een woord in lettergrepen verdelen bij afbreking aan het eind van een regel.

-          De kinderen kunnen spreekwoorden en uitdrukkingen opzoeken in een woordenboek.

 

Thema 8 Geld.

Woordenschat: Er worden in dit thema zo’n 40 woorden aangeboden die allemaal in relatie staan met het thema Geld. Zoals o.a.: een bod doen, gniffelen, intact, het mankement, de levensstijl, krenterig…..

Taal verkennen:

-          De kinderen leren dat een aantal zelfstandige naamwoorden geen enkelvoudsvorm of meervoudsvorm heeft.

-          De kinderen leren wanneer de bijvoeglijke naamwoorden een buigings –e krijgen.

-          De kinderen kunnen de vaste plaats van onderwerp en persoonsvorm benoemen in een vertelzin en een verhaalzin.

-          De kinderen leren het verschijnsel pleonasme herkennen in een woordgroep.

-          De kinderen kunnen opzoeken welk lidwoord bij een zelfstandig naamwoord hoort en wat het meervoud is.

 

Voor de instapkaarten: Klik hier

  

Spelling

1. Horen (denken), nazeggen: Goed uitspreken; wat zijn moeilijke klanken?

2. Onderscheiden (auditief): Herken ik alle klankgroepen, hoor ik waar de klemtoon is?

3. Herkennen (auditief): Herken ik de categorie? Moet ik een regel toepassen? Waar moet ik een keuze maken en wat moet ik kiezen? Waarover twijfel ik?

4. Opschrijven: Zie ik het voor me? Opletten dat ik de struikelpunten goed doe. Schrijf ik duidelijk en netjes?

5. Controleren: Heb ik aan alles gedacht? Klopt het wat er nu staat? Kan ik vertellen waarom ik het woord zo heb geschreven?

6. Toepassen in eigen teksten: Herken ik tijdens het schrijven al bekende categorieën? Herken ik welke letters bij de klanken passen?

 

 

Thema 7 Boeken

 

De kinderen leren:

-          Woorden met een open lettergreep in het midden.

-          Tegenwoordige tijd van werkwoorden ( normaal

-          Woorden  met verdubbeling van een medeklinker

-          Tegenwoordige tijd van werkwoorden met v/f verwisseling

-          Open lettergreep waarbij sprake is van een korte klank

-          Tegenwoordige tijd van werkwoorden met z/s verwisseling

 

 

 

Thema 8 Geld

 

De kinderen leren:

-          Woorden met voorvoegsel be-, ge- en ver-

-          Tegenwoordige tijd van werkwoorden met stam op  t

-          Woorden met i de klinkt als [ie]

-          Tegenwoordige tijd  van werkwoorden met stam op d

-          Woorden met –tie uitgesproken als [(t) sie]

-          Tegenwoordige tijd van werkwoorden met stam op t of d

 

Voor de instapkaarten: klik hier

 

 

Begrijpend lezen

Twee keer per week oefenen de kinderen begrijpend lezen. Eén keer oefenen we m.b.v. Nieuwsbegrip. Dit zijn actuele teksten waarbij elke week een andere strategie geoefend wordt. Deze strategie draagt bij tot beter begrip van de tekst. De strategieën die aan bod komen zijn: voorspellen, ophelderen van onduidelijkheden, samenvatten, vragen stellen, relaties en verwijswoorden, verbanden leggen m.b.v. signaalwoorden.

Voor de 2e les begrijpend lezen maken we gebruik van een tekst die past bij het thema MI, een tekst uit het CITO-hulpboek of een leestekst die hoort bij Blits, onze methode voor studievaardigheden.

 

MI

Ridders en kastelen ( geschiedenis

Zuid Nederland 9 aardrijkskunde

Het weer in Nederland ( biologie

 

 

Thema Ridders en kastelen

Vragen:

 

 

1.Wanneer was de riddertijd en wie waren er toe de baas?

Noem 2 koningen die ruzie hadden.

2. Waarom bouwde men kastelen? En was het prettig wonen in een kasteel? Noem twee voordelen en twee nadelen van het wonen in een kasteel

3. Hoe verliep een belegering?

4. Wat is: een ridder, een toernooi, een jonkvrouw, een page, een vizier en een horige

5. Wat is het leenstelsel? Wat zijn leenmannen en leenheren?

 

Thema: Zuid Nederland

 

1.Wat betekenen de letters NAP en leg uit wat hiermee bedoeld wordt.

2.Hoe komt het dat Limburg zoveel heuvels en mijnen heeft?

3.Wat gebeurde er in Zeeland in 1953 en hoe kon dit gebeuren? Zou dit nu nog een keer kunnen gebeuren?

4.Wat is het verschil tussen bio-industrie en een biologische boerderij?

5.Wat kun je als toerist in Limburg, Noord-Brabant en Zeeland doen?

 

 

 

PBS

Elke week hebben we een regel op school waar we extra aandacht aan besteden middels gedragslessen.

Werkplekken (werk meenemen, werkplek netjes achterlaten)

Schoolbreed (de afspraken over respect binnen de school)

De gang (rustig lopen, handen thuis houden)