Naar het fotoboek

Doelen mei-, tot zomervakantie

Rekenen 
Wereld in getallen blok 7  

 

Vermenigvuldigen

- Hoe vaak zit € 5,50 in € 33,-?

- cijferend vermenigvuldigen 67 x 26 =

- cijferend vermenigvuldigen 6 x 1425 =

 

Delen

- herhaald aftrekken 6230 : 35 =

 

Afronden

- getallen  < 1.000.000 op een 100.000-tal

-5.865.000 ≈ 5.900.000 of 5,9 miljoen

 

Breuken 

gelijkwaardige breuken maken 1/2 = ../4 = ../8

- vergelijken van breuken en verschil bepalen 1/2 en 1/5; wat is meer en wat is het verschil?

- deel van een hoeveelheid 1/5 deel van 20, 200, 1000, 1500

 

Tijd

- tijdsduur berekenen

 

Meten

- maat kiezen uit verschillende maatsystemen lengte-, gewicht- en inhoudsmaten –

- kaart lezen en gebruiken hoeveel km is de route?

- wegen van  pond en ons 1 kg = … ons / 1 kg = … pond

- combineren inhoudsmaten (kubieke maten en litermaten) - schaal aflezen, gebruiken en berekenen

- meters en kilometers wat is de afstand?

- inhoud berekenen

 

Meetkunde

 - bovenaanzicht en plaatsbepaling

 

Gemiddelde

-berekenen

 

Handig rekenen

- optellen en aftrekken 4350 + 150 = / 4750 – 150 =

-  optellen en aftrekken 1452 + 1239 + 548 = 84.920 – 84.898 = 

 

Oriëntatie

- tellen met sprongen tot 1 miljoen

 

Optellen en aftrekken

- cijferend optellen en aftrekken Rekenmachine

- uitkomsten van delingen afronden

- cijferend aftrekken van geldbedragen tot € 10.000 € 5.748,50 - € 2.256,75

 

Kommagetallen

- optellen en aftrekken van eenvoudige kommagetallen 2,3 + 1,5 =

- van klein naar groot zetten

 

Procenten

- ongeveer uitrekenen van percentage in toepassingssituaties  19 van 198

- hoeveel procent ongeveer?

- schatten van percentage in een cirkel hoeveel procent is gekleurd?

 -  …% meer (meer dan 100%; de nieuwe hoeveelheid bepalen 800 g – tijdelijk 5% meer

 

Grafieken

- interpreteren en samenstellen van een staafdiagram (met meerdere gegevens) en een lijngrafiek

 

Schattend rekenen

 - vermenigvuldigen en delen 39 x 51 ≈ / 9985 : 50 ≈

 

Bewerkingen

- opgaven in context

 

 

 Wereld in getallen blok 8:

 

 Kommagetallen

- optellen en aftrekken (herhaling) 3,5 + 0,8 = / 9,45 – 3,4 =

- getallen met drie cijfers achter de komma schrijf in cijfers: 20 en 2 tienden, 15 duizendsten

 

Breuken

- zoveelste deel van .. (in geldcontext) 1/3 deel van € 1.200,- 1/100 deel van € 1.600,-

- vergelijken van breuken < 1 welke breuk is kleiner dan 1/4  

- zoveelste deel van een derde deel van 99, 396, 1509 - relatie tussen kommagetallen, breuken en procenten 3/10 = 0,3 = 30%

- gelijkwaardigheid 1/2 = 1/4 = … enz.

 

Tijd

- vertrektijden en vertragingen nieuwe vertrektijd berekenen

 

Meten

- relatie lengte

– oppervlakte bij vergroten Wat is de prijs van de grondzeilen?

- kies de juiste maat - schaal bij plattegrond

- relatie tijd / afstand - de juiste maat kiezen door een komma in het getal te plaatsen

 

Meetkunde

- kubus Bewerkingen

- opgaven in context

 

Grafieken

-  gegevens aflezen uit een diagram

 

Schattend rekenen

- vermenigvuldigen met kommagetallen 7 x 24,9 km ≈ / 5 x € 1,96 ≈

 

 

Aftrekken

- cijferend aftrekken van geldbedragen tot € 10.000,- € 6.445,05 - € 3.725,20

 

Delen

- herhaald aftrekken 756 : 12 = 2240 : 35 =

 

Romeinse cijfers

 - oefenen Rekenmachine

 

Rekenen met kommagetallen 4,8 x 2,5 = 2,5 x 0,48 =

- welk getal ligt het dichtst bij?

 

Vermenigvuldigen

- cijferend vermenigvuldigen met geldbedragen € 15,38 x 6 =

 

Procenten

- relatie tussen procenten en verhoudingen 1 op de 10; hoeveel procent?

 

Voor meer informatie: Klik hier

 

Taal

Leerdoelen Taal actief 4

De kinderen krijgen elke dag een instructie les taal m.b.v. de “instapkaart”. Na de instructie en inoefening gaan de kinderen de les verwerken op hun tablet.  Deze instapkaarten kunt u vinden wanneer u op meer informatie hieronder klikt.

 

In thema 7 leren de kinderen:

- De betekenis van minimaal 36 woorden binnen het thema verzamelingen.

- De kinderen leren wat een aanwijzend voornaamwoord is.

- De kinderen kunnen een conflictgesprek oplossingsgericht voeren. Ze denken na over de effecten van hun eigen communicatief gedrag.

- De kinderen leren dat een bijvoeglijk naamwoord ook zonder zelfstandig  naamwoord kan voorkomen in de zin. 

- De kinderen leren dat er nevenschikkende zinnen zijn, die uit twee hoofdzinnen bestaan.

- De kinderen de functie van de puntkomma en leren deze toe te passen.

- De kinderen leren hoe ze woorden met twee of meer betekenissen moeten opzoeken in het woordenboek en controleren of deze betekenis klopt.

 

In thema 8 leren de kinderen:
- De kinderen leren de betekenis van minimaal 36 woorden binnen het thema reclame.
- De kinderen leren wat de gebiedende wijs is.
- De kinderen leren om een betoog te voeren en de boodschap af te stemmen op de ontvanger.
- De kinderen kunnen verschillende voornaamwoorden van elkaar onderscheiden in een zin. Ze herhalen wat een persoonlijk, bezittelijk en aanwijzend voornaamwoord is.
- De kinderen kunnen benoemen wat een onderwerp, lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp is.
- De kinderen kunnen metonymia als vorm van beeldspraak herkennen en verklaren.
- De kinderen oefenen met het achterhalen van een betekenis van een onbekend woord.
- Ze leren een zakelijke brief te schrijven over een klacht over een product.

Voor de instapkaarten: klik hier

 

Spelling

Leerdoelen Taal actief 4: spelling en (werkwoordspelling)

 

1. Horen (denken), nazeggen: Goed uitspreken; wat zijn moeilijke klanken?

2. Onderscheiden (auditief): Herken ik alle klankgroepen, hoor ik waar de klemtoon is?

3. Herkennen (auditief): Herken ik de categorie? Moet ik een regel toepassen? Waar moet ik een keuze maken en wat moet ik kiezen? Waarover twijfel ik?

4. Opschrijven: Zie ik het voor me? Opletten dat ik de struikelpunten goed doe. Schrijf ik duidelijk en netjes?

5. Controleren: Heb ik aan alles gedacht? Klopt het wat er nu staat? Kan ik vertellen waarom ik het woord zo heb geschreven?

6. Toepassen in eigen teksten: Herken ik tijdens het schrijven al bekende categorieën? Herken ik welke letters bij de klanken passen?

De kinderen leren in thema 7;
- woorden met meervoud op ’s en bezittelijke ‘s (bijvoorbeeld piano’s);
- woorden met een trema (bijvoorbeeld knieën);
- stoffelijk bijvoeglijke naamwoorden (bijvoorbeeld de ijzeren ring);
- voltooid deelwoorden van andere-klankwerkwoord (bijv. roepen-riepen-geroepen);
- voltooid deelwoord van een andere-klankkwerkwoord met een f-v of z-s wisseling;
- voltooid deelwoord van zelfde- en andere-klankwerkwoorden.

In thema 8 leren ze:
- Engelse leenwoorden (bijvoorbeeld talkshow, ticket);
- Franse leenwoorden (bijvoorbeeld cadeau, douane);
- woorden met een x (bijvoorbeeld excuus, exemplaar);
- Gebiedende wijs normaal of met stam op t ( ga kleuren);
- Gebiedende wijs stam op d of v/f of z/s wisseling;
- Gebiedende wijs onregelmatige werkwoorden. 

Met spelling maken wij gebruik van instap kaarten. Op deze manier leggen wij het aan de kinderen uit. De instapkaarten voor de komende thema’s hebben wij onder de volgende link gezet.
Voor de instapkaarten: klik hier

Begrijpend lezen

Twee keer per week oefenen de kinderen begrijpend lezen. Eén keer oefenen we m.b.v. Nieuwsbegrip. Dit zijn actuele teksten waarbij elke week een andere strategie geoefend wordt. Deze strategie draagt bij tot beter begrip van de tekst. De strategieën die aan bod komen zijn: voorspellen, ophelderen van onduidelijkheden, samenvatten, vragen stellen, relaties en verwijswoorden, verbanden leggen m.b.v. signaalwoorden.  Voor de 2e les begrijpend lezen maken we gebruik van een tekst die past bij het thema MI, een tekst uit het CITO-hulpboek of een leestekst die hoort bij Blits, onze methode voor studievaardigheden.

 

 

 

 

MI

Thema “Oost-europa  ”
In dit 4 week durende thema zullen de kinderen op zoek gaan naar de antwoorden op de volgende vragen:

1.                   Welke landen van Oost-Europa horen bij de EU?

Waarom gaan veel West-Europese bedrijven naar Oost-Europa?

2.                   Waar wonen in Rusland de meeste mensen? Hoe komt dit?

3.                   Wat zijn de kenmerken van een poolklimaat? Wat is een taiga?

4.                   Waarom willen landen in Oost-Europa graag bij de EU horen?

5.                   Waaraan moeten zij voldoen om lid te kunnen worden?

Hiervoor zullen de kinderen ook de topografie meekrijgen van noord-Europa.
Bij dit thema hoort ook een bijbehorende presentatiemiddag. Hierbij worden ouders, opa’s, oma’s, ooms en tantes uitgenodigd om te komen kijken naar het werk dat de kinderen gemaakt hebben.

 

 

Thema “Gouden eeuw  ”

Dit thema zal 5 weken in beslag nemen.

De vragen voor dit thema zijn:

1.            Wanneer was de gouden eeuw en waarom noemden we het de Gouden Eeuw?

2.            Hoe heette Nederland in de 17e eeuw en hoe werd het land bestuurd?

3.            Waardoor werden Rembrandt, Michiel de Ruyter, Spinoza, Hugo de Groot en Christiaan Huygens bekend?

4.            Wat betekenen de letters VOC en WIC? Waar handelden ze in?

5.            Waarom was Amsterdam zo belangrijk in de Gouden Eeuw? Waaraan kun je dat nu nog terug zien in de stad?

Aan het einde van het thema zullen deze vragen getoetst worden.

 

Thema “Zuid- en Midden- Europa  ”

Dit thema zal 2 weken duren.
In dit thema zal er informatie worden gegeven over hoe de gebergten in midden-Europa zijn ontstaan. Welke klimaten er zijn in het zuiden van Europa. Wat Pisa, Colloseum, Port, Sagrada Familia, Akropolis, Mozart, Kaasfondue en Fado zijn. Hoe een vulkaan werkt, wat een gletsjer is. Als laatste leren ze waarom landen zo graag bij de EU willen horen.  

 

 

PBS

Elke week hebben we een regel op school waar we extra aandacht aan besteden middels gedragslessen. In deze gedragslessen geven we aan wat we verwachten te zien. Maar ook geven we een foutief voorbeeld. We bespreken wat er mis gaat. Vervolgens laat de leerling nog een goed voorbeeld zien. Daarna zullen wij als leerkrachten toppie’s uitdelen aan de kinderen die het goede gedrag laten zien. Met deze toppie’s sparen de kinderen voor leuke beloningen.

 

De onderwerpen zijn:
Werkplekken (werk meenemen, werkplek netjes achterlaten)

Schoolbreed (de afspraken over respect binnen de school)

De gang (rustig lopen, handen thuis houden, rechterkant van de trap lopen)