Naar het fotoboek

Doelen voorjaar-, tot meivakantie

Rekenen 
Wereld in getallen blok 5

 

Getalbegrip
- oefenen met kommagetallen met drie decimalen op de getallenlijn.

- Romeinse cijfers

- Bij welk getal ligt het kommagetal het dichtst?

 

 Optellen en aftrekken

- Herhaald aftrekken ( 800- 315-315= )

- cijferend optellen van geldbedragen tot € 1000,-

- cijferend vermenigvuldigen (95 x 33 = / 95 x 36 = )

- lange sommen

- herhaald aftrekken ( 312 : 14 =)

 

Schattend rekenen

- vermenigvuldigen (5 x 19 ≈ / 21 x 72 ≈)

 

Breuken

- Deel van een geheel uitrekenen (1/4 van 200,-)
- Deel van een hoeveelheid als breuk opschrijven (100 van de 500 is 1/5 deel)

- (ver)delen van gehelen (5 pannenkoeken net zijn drieën delen)  

- deel van het geheel 20 minuten is ... deel van 1 uur

 

Procenten

- korting uitrekenen (€ 80,-, 20% korting, de nieuwe prijs is € .....)

- korting en nieuwe prijs uitrekenen

 

 Geld

-optellen van geldbedragen  

- afronden van geldbedragen

 

 Meten

- lengte / gewicht / oppervlakte\

- overeenkomsten en verschillen tussen de verschillende maatsystemen

- rij van oppervlaktematen, inclusief herleidingen

 - inhoud kies de juiste inhoudsmaat

- temperatuur boven nul en onder nul

- lengte welke auto past in de garage?

 

Meetkunde

- introductie van het begrip ton (5000 kg = ... ton)  

- bouwsels / vooraanzicht / zijaanzicht / plattegrond / positie van de blokken

 

Verhoudingen

- 540 km op 45 l dat is 1 op de ....

- verhoudingen omzetten in een breuk en andersom (7 van de 10, 7/10)

 

 

 

 

Wereld in getallen blok 6:

 

Getalbegrip
- verkennen getallen > 1.000.000

- oefenen met kommagetallen met drie decimalen op de getallenlijn

 

Optellen en aftrekken

- getallen tot 500.000 ( 400.000 – 50 = / 400.00 + 50 =)

- cijferend aftrekken van geldbedragen tot € 1000,-

 

Delen en vermenigvuldigen

- delen met de rekenmachine

- herhaald aftrekken (861 : 14 =)

- vermenigvuldigen (6 x 35 =  3 x 70 = …)

- cijferend vermenigvuldigen (67 x 33 = / 67 x 63 =)

- geldbedragen vermenigvuldigen ( 10 x € 2,50 = / € 719 : 10 =)

 

Schattend rekenen

- Is het meer of minder dan 1.000.000?

 

Breuken

- vergelijken van gelijkwaardige breuken < 1

 

Procenten

- uitrekenen van procenten ( 1% = / 8% =)

 

Geld

- wisselgeld teruggeven

 

 Meten

- lengte, kommagetallen bij meters

- oppervlakte bepalen bij (on)regelmatige figuren

- inhoudsmaten met en zonder komma

 

Meetkunde

- bouwsels

 

Verhoudingen

- aanbieden vergelijkingen

 

Grafieken

- cirkeldiagram

- aflezen van percentages

 

Voor meer informatie over rekenen  

 

 

Taal

Leerdoelen Taal actief 4

De kinderen krijgen elke dag een instructie les taal m.b.v. de “instapkaart”. Na de instructie en inoefening gaan de kinderen de les verwerken op hun tablet. 

De kinderen leren in thema 5;
- wat een voltooid deelwoord is en leren het herkennen in een zin;
- wat bijwoorden zijn en kunnen bijwoorden benoemen in een zin;
- wat hoofdzinnen en bijzinnen zijn en kunnen deze verbinden door middel van middel van causale voegwoorden;
- wat een apostrof is en kunnen deze toepassen in een zin;
- dat ze de door hen gevonden betekenis van een onbekend woord altijd moeten controleren. Ze leren dit door zich af te vragen of de gevonden betekenis logisch past in de context.

In thema 6 leren ze:
- de drie hoofdvormen van het werkwoord: infinitief, persoonsvorm en voltooid deelwoord; 
- wat een meewerkend voorwerp is en kunnen deze herkennen en benoemen in een zin;
- wat de onderwerps- en voorwerpsvorm van persoonlijke voornaamwoorden zijn ;
- dat zinnen soms dubbelzinnig kunnen zijn. Ze herkennen ambigu taalgebruik;

Voor meer informatie over taal

 

Spelling

Leerdoelen Taal actief 4: spelling en (werkwoordspelling)

 

1. Horen (denken), nazeggen: Goed uitspreken; wat zijn moeilijke klanken?

2. Onderscheiden (auditief): Herken ik alle klankgroepen, hoor ik waar de klemtoon is?

3. Herkennen (auditief): Herken ik de categorie? Moet ik een regel toepassen? Waar moet ik een keuze maken en wat moet ik kiezen? Waarover twijfel ik?

4. Opschrijven: Zie ik het voor me? Opletten dat ik de struikelpunten goed doe. Schrijf ik duidelijk en netjes?

5. Controleren: Heb ik aan alles gedacht? Klopt het wat er nu staat? Kan ik vertellen waarom ik het woord zo heb geschreven?

6. Toepassen in eigen teksten: Herken ik tijdens het schrijven al bekende categorieën? Herken ik welke letters bij de klanken passen?

 

In thema 5 leren de kinderen:

De doelen waar we aan werken de komende periode zijn;

-woorden met -cht of –ch;
- woorden met -tie of – ctie;

- woorden met –iaal, ieel, -ueel

- verleden tijd van andere-klankwerkwoorden met wijziging van een medeklinker;

- verleden tijd van werkwoorden met een stam op –d of –t;

- verleden tijd met een bijkomend spellingprobleem.  

 

 

In thema 6 leren de kinderen:

-woorden met een c die klinkt als een s of k; 
- woorden met eind-d of midden-d die klinkt als een t;

- woorden met een open lettergreep (jager) ;
- woorden met een verdubbeling van de medeklinker  (bakker);

- voltooid deelwoord van zelfde klank-werkwoorden normaal;

- voltooid deelwoord op d van zelfde-klankwerkwoorden, met v/f, z/s-wisseling;

- voltooid deelwoord van zelfde-klankwerkwoorden.  

Voor meer informatie over spelling

 

Begrijpend lezen

Twee keer per week oefenen de kinderen begrijpend lezen. Eén keer oefenen we m.b.v. Nieuwsbegrip. Dit zijn actuele teksten waarbij elke week een andere strategie geoefend wordt. Deze strategie draagt bij tot beter begrip van de tekst. De strategieën die aan bod komen zijn: voorspellen, ophelderen van onduidelijkheden, samenvatten, vragen stellen, relaties en verwijswoorden, verbanden leggen m.b.v. signaalwoorden.  Voor de 2e les begrijpend lezen maken we gebruik van een tekst die past bij het thema MI, een tekst uit het CITO-hulpboek of een leestekst die hoort bij Blits, onze methode voor studievaardigheden.

 

MI

Thema “Het skelet”

Informatieposter en presentatie maken over de volgende deelonderwerpen:

Botten, röntgenfoto, delen van een skelet, kraakbeen, groeien, bewegen, tanden en kiezen.
De kinderen zullen deze poster dan gaan presenteren op beoordelen.

 

Thema “Oost-Europa”

De vragen voor het volgende thema zijn:

1. Welke landen van Oost-Europa horen bij de EU?

2. Waarom gaan veel West-Europese bedrijven naar Oost-Europa?

3. Waar wonen in Rusland de meeste mensen? Hoe komt dit?

4. Wat zijn de kenmerken van een poolklimaat? Wat is een taiga?

5.Waarom willen landen in Oost-Europa graag bij de EU horen? Waaraan moeten zij voldoen om lid te kunnen worden?
Deze vragen zijn onder voorbehoud en kunnen nog gewijzigd worden.

 

Thema “80 jaar oorlog”

De vragen voor dit thema zijn:

1. Waarom is Willem van Oranje zo belangrijk voor Nederland? Waar komen de namen Nassau en Oranje vandaan?

2. Wat is de beeldenstorm?

3. Wanneer en waarom was de Tachtigjarige Oorlog?

4. Wie was Karel de V?

5. Waarmee waren Martin Luther en zijn volgelingen het niet eens?

Deze vragen zijn onder voorbehoud en kunnen nog gewijzigd worden.

 

 

PBS

Elke week hebben we een regel op school waar we extra aandacht aan besteden middels gedragslessen. In deze gedragslessen geven we aan wat we verwachten te zien. Maar ook geven we een foutief voorbeeld. We bespreken wat er mis gaat. Vervolgens laat de leerling nog een goed voorbeeld zien. Daarna zullen wij als leerkrachten toppie’s uitdelen aan de kinderen die het goede gedrag laten zien. Met deze toppie’s sparen de kinderen voor leuke beloningen.

 

De onderwerpen zijn:
Werkplekken (werk meenemen, werkplek netjes achterlaten)

Schoolbreed (de afspraken over respect binnen de school)

De gang (rustig lopen, handen thuis houden)