Naar het fotoboek

Doelen kerst- t/m voorjaarsvakantie

 

 

 Doelen groep 8

 

Rekenen

De kinderen krijgen 4 x per week een instructieles rekenen. Na de instructie en begeleide inoefening volgt de verwerking van de lesstof op de tablet. Ook het taakwerk rekenen wordt op de tablet gemaakt.  Leerlingen die de instructie onvoldoende begrijpen krijgen verlengde instructie.

 

Rekendoelen blok 4A

Breuken:
- optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen met breuken

Meten:
- bij een gegeven schaal oppervlakten en inhouden vergelijken en berekenen

- toepassingen van verschillende maten

Bewerkingen:
- delen: doordelen achter de komma

Grafieken:
- beeldgrafiek aflezen, interpreteren en ermee rekenen
Kommagetallen:
- delen met kommagetallen
Relatie tussen breuken, percentages en verhoudingen

 

Voor meer informatie  (voorbeeldsommen bij bovenstaande  rekendoelen)

 

Taal

De kinderen krijgen elke dag een instructie les taal m.b.v. de “instapkaart”. Na de instructie en begeleide inoefening volgt de verwerking van de lesstof op de tablet. Leerlingen die de instructie onvoldoende begrijpen krijgen verlengde instructie.


Lesdoelen thema 4 helden:
Woordenschat: de leerling kent de betekenis (passief en actief) van 40 themawoorden.

Taal verkennen:
De leerling leert:
- het verschil tussen een bedrijvende en lijdende zin
- wat een wederkerend voornaamwoord is

 

Lesdoelen thema 5 rampen:
Woordenschat: de leerling kent de betekenis (passief en actief) van 40 themawoorden.

Taal verkennen:
De leerling leert:
- van een heel werkwoord een voltooid deelwoord te maken
- het onderwerp en het werkwoordelijk gezegde in een zin te vinden
- de persoonsvorm van de andere werkwoorden te onderscheiden
- herkennen in welke tijd een zin staat: onvoltooide tijd en voltooide tijd
- wanneer de verwijswoorden dat, die, wat gebruikt worden

 

Lesdoelen thema 6 media:

Woordenschat: de leerling kent de betekenis (passief en actief) van 40 themawoorden.

Taal verkennen:
De leerling:
- leert samengestelde werkwoorden (scheidbaar en onscheidbaar)te herkennen en gebruiken.
- leert wanneer je dan of als gebruikt in een zin
- leert het verschil tussen een bedrijvende en lijdende zin en kan een bedrijvende zin omzetten
  in een lijdende zin.
- leert persoonlijke voornaamwoorden (zij/hun, u/uw, jou/jouw) juist te gebruiken.

Voor meer informatie t.a.v. regels, voorbeelden, uitleg (instapkaarten)

Spelling
Werkwijze:

1. Horen (denken), nazeggen: Goed uitspreken; wat zijn moeilijke klanken?

2. Onderscheiden (auditief): Herken ik alle klankgroepen, hoor ik waar de klemtoon is?

3. Herkennen (auditief): Herken ik de categorie? Moet ik een regel toepassen? Waar moet ik een keuze maken en wat moet ik kiezen? Waarover twijfel ik?

4. Opschrijven: Zie ik het voor me? Opletten dat ik de struikelpunten goed doe. Schrijf ik duidelijk en netjes?

5. Controleren: Heb ik aan alles gedacht? Klopt het wat er nu staat? Kan ik vertellen waarom ik het woord zo heb geschreven?

6. Toepassen in eigen teksten: Herken ik tijdens het schrijven al bekende categorieën? Herken ik welke letters bij de klanken passen?

 

Lesdoelen spelling en werkwoordspelling thema 4 helden:

De leerling leert:
- het hele werkwoord in een zin juist te schrijven.

- werkwoorden waarbij de verleden tijd hetzelfde klinkt als het hele werkwoord.

- het tegenwoordig deelwoord, bijvoorbeeld ik ga lopend naar school.

 

Lesdoelen spelling en werkwoordspelling thema 5 rampen:

De leerling leert:
- stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden juist te schrijven.
- zelfde klankwerkwoorden met een voorvoegsel juist te schrijven.
- woorden met een lange of korte klank aan het einde van een klankgroep juist te schrijven.
- woorden met de letter ‘x’ juist te schrijven.
- het tegenwoordig deelwoord juist te schrijven (herhaling).

Lesdoelen thema 6 media :

De leerling:
- leert woorden met de letters ‘ch’ en ‘cht’ juist te schrijven
- leert welke woorden je met ‘ei’ en ‘ij’ schrijft
- leert welke woorden je met ‘ou’ en ‘au’ schrijft.

 

Voor meer informatie over bovenstaande spellingsregels (instapkaarten)

 

Begrijpend lezen

Twee keer per week oefenen de kinderen begrijpend lezen. Eén keer oefenen we m.b.v. Nieuwsbegrip. Dit zijn actuele teksten waarbij elke week een andere strategie geoefend wordt. Deze strategie draagt bij tot beter begrip van de tekst. De strategieën die aan bod komen zijn: voorspellen, ophelderen van onduidelijkheden, samenvatten, vragen stellen, relaties en verwijswoorden, verbanden leggen m.b.v. signaalwoorden.

Voor de 2e les begrijpend lezen maken we gebruik van een tekst die past bij het thema MI of een tekst uit het CITO-hulpboek. Daarnaast is er 1 keer per week een les uit Blits, onze methode voor studievaardigheden. We oefenen dan met studieteksten, informatiebronnen, kaarten en schema’s/tabellen/grafieken.

 

MI
De leerlingen werken alleen of samen aan de opdrachtkaarten. De kaarten sluiten aan bij de
8 verschillende intelligenties. De kinderen presenteren tussentijds aan elkaar wat ze hebben gedaan en wat ze hebben geleerd.
Elke week wordt er een leerkrachtles gegeven. Deze les sluit met name aan op de 5 vragen. Regelmatig wordt er klassikaal bekeken of we al antwoord op de vragen hebben gevonden. Deze antwoorden noteren we en vullen we steeds aan waar nodig.

 

Thema de Industriële Revolutie


Aan het eind van het thema moet de leerling in ieder geval antwoord kunnen geven op de volgende 

5 vragen:

1.       Wat heeft de Koopmankoning gedaan om het arme Nederland rijker te laten worden?
Leg uit.

2.       Noem 3 zaken die in de grondwet van 1848 werden geregeld en waarvoor dient een grondwet?

3.       Waarom was er rond 1870 veel kinderarbeid? Leg uit.

4.       Wie was Vincent van Gogh? Noem 2 materialen waar hij zijn schilderijen mee maakte. Noem een schilderij uit zijn realistische periode en een uit zijn impressionistische periode.

5.       Wie was Aletta Jacobs? Leg uit wat haar rol in onze geschiedenis was.

 

 

Thema de 2 wereldoorlogen

De leerlingen werken alleen of samen aan kaarten met opdrachten die aansluiten bij de verschillende intelligenties.

Aan het eind van het thema moet de leerling in ieder geval antwoord kunnen geven op 5 vragen:
1. Wanneer waren de Eerste en de Tweede Wereldoorlog? Welke landen waren erbij   betrokken?
2. Waarom noemen we de jaren tussen 1930 en 1940 crisisjaren?
3. Wat is de NSB? Wie was de leider?
4. Wie was Anne Frank? Wat doet de Anne Frankstichting?
5. Wie werden er in WOII vervolgd en waarom?




PBS
Elke week hebben we een regel op school die centraal staat.
Hier besteden we aandacht aan in de vorm van gedragslessen, filmpjes, voorbeelden uit de praktijk etc. We werken aan onze waarden respect, verantwoordelijkheid en veiligheid.
De kinderen kunnen gedurende de week klasgenoten nomineren. Elke maandagochtend verzamelen we in de hal beneden, waar we onze Toppers bekend maken. Zij komen met hun foto op onze wall of fame te hangen. De nieuwe regel wordt besproken en uitgebeeld door een groepje leerlingen.
Eerst een fout voorbeeld, gevolgd door een voorbeeld waarin duidelijk te zien is hoe het wel moet.

Deze periode staat centraal:

Waarden schoolbreed

- Respect, verantwoordelijkheid, veiligheid
Plein

- Wij spelen met de materialen waarvoor het bedoeld is en ruimen ze netjes op

Toilet


- We laten de toilet netjes achter voor een ander

- We wassen onze handen na toiletgebruik
Gang
- Wij lopen rustig op de gang en hangen onze jas en tas aan de kapstok
- Als we werken op de gang gebruiken we de fluisterstem