Naar het fotoboek

Doelen voorjaar-, tot meivakantie

Rekenen

Rekenen op eigen niveau.
De leerlingen werken vanaf de 2e helft van groep 8 op eigen niveau aan 8 rekenthema’s.
Door herhaling van de lesstof worden de opgedane rekenvaardigheden onderhouden.
Leerlingen die op plusniveau aan de lesstof werken zullen behalve hun rekenvaardigheden onderhouden, ook hun rekenvaardigheden verder uitbreiden.

Rekendoelen thema 2: kommagetallen

De leerling oefent en onderhoudt vaardigheden met betrekking tot:
Kommagetallen
- kommagetallen bij geld, lengte, inhoud, gewicht
- positieschema bij kommagetallen
- kommagetallen op de getallenlijn
- kommagetallen met 1 en 2 cijfers achter de komma vergelijken
- grote getallen schrijven als kommagetal
- kommagetallen optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen
- kommagetallen en breuken
- toepassingen

Rekendoelen thema 3: breuken

De leerling oefent en onderhoudt vaardigheden met betrekking tot:
Breuken
- deel van een geheel (25 is het …. van 100; ¾ van €600,-; 3/100 van 1600)
- gelijkwaardige breuken
- optellen en aftrekken van breuken
- vermenigvuldigen en delen van breuken
- relatie tussen breuken, kommagetallen en percentages (3/10 – 0,3 – 30%)


Rekendoelen thema 4: procenten

De leerling oefent en onderhoudt vaardigheden met betrekking tot:
Procenten
- percentages in cirkel- en staafdiagrammen
- korting en nieuwe prijs berekenen (20%, 30%, 5%, 15%)
- deel van het geheel uitrekenen (25%, 10%, 1%, 3%)
- renteberekeningen via 1% (3% van € 1200,-)
- schattend rekenen ( 26 van 497 is ongeveer … %, 19% van 205)
- relaties tussen percentages en verhoudingen
- gebruik van de rekenmachine bij het uitrekenen van percentages
- van deel naar geheel (15% is 45 m, 100% is ….m)
- berekeningen met “geheel plus deel”-situaties (oude prijs is gegeven, wat is de nieuwe prijs
  bij een   prijsverhoging; oude en nieuwe prijs zijn gegeven, hoe groot is de prijsverhoging?)
- relatie tussen percentages, breuken, verhoudingen  en kommagetallen

Voor meer informatie  (voorbeeldsommen bij de desbetreffende thema’s)

 

Taal

De kinderen krijgen elke dag een instructie les taal m.b.v. de “instapkaart”. Na de instructie en inoefening volgt de verwerking van de lesstof op de tablet. 

Lesdoelen thema 6 media:

Woordenschat: de leerling kent de betekenis (passief en actief) van 40 themawoorden.

Taal verkennen:
De leerling:
- leert samengestelde werkwoorden (scheidbaar en onscheidbaar)te herkennen en gebruiken.
- leert wanneer je dan of als gebruikt in een zin
- leert het verschil tussen een bedrijvende en lijdende zin en kan een bedrijvende zin omzetten
  in een lijdende zin.
- leert persoonlijke voornaamwoorden (zij/hun, u/uw, jou/jouw) juist te gebruiken.

Lesdoelen thema 7 verschillen:

Woordenschat: de leerling kent de betekenis (passief en actief) van 40 themawoorden.

Taal verkennen:
De leerling:
- leert wat inhoudswoorden zijn en kan deze benoemen.
- leert welke elementen in een zin weggelaten kunnen worden (een samentrekking).
- leert hoe je het onderwerp, lijdend voorwerp, en meewerkend voorwerp in een zin vindt
- leert het getal van onderwerpen herkennen die niet meteen duidelijk zijn.
- leert en oefent het stappenplan toe te passen om de betekenis van een onbekend woord te
  achterhalen.

Voor meer informatie (instapkaarten)


Spelling
Werkwijze:

1. Horen (denken), nazeggen: Goed uitspreken; wat zijn moeilijke klanken?

2. Onderscheiden (auditief): Herken ik alle klankgroepen, hoor ik waar de klemtoon is?

3. Herkennen (auditief): Herken ik de categorie? Moet ik een regel toepassen? Waar moet ik een keuze maken en wat moet ik kiezen? Waarover twijfel ik?

4. Opschrijven: Zie ik het voor me? Opletten dat ik de struikelpunten goed doe. Schrijf ik duidelijk en netjes?

5. Controleren: Heb ik aan alles gedacht? Klopt het wat er nu staat? Kan ik vertellen waarom ik het woord zo heb geschreven?

6. Toepassen in eigen teksten: Herken ik tijdens het schrijven al bekende categorieën? Herken ik welke letters bij de klanken passen?

 

Lesdoelen thema 6 media :

De leerling:
- leert woorden met de letters ‘ch’ en ‘cht’ juist te schrijven
- leert welke woorden je met ‘ei’ en ‘ij’ schrijft
- leert welke woorden je met ‘ou’ en ‘au’ schrijft.

 

Lesdoelen thema 7 verschillen:

De leerling:
- leert woorden met de letter i, die klinkt als [ie], juist te schrijven.
- leert woorden met de letters ig, die klinken als [ug]
  en met de letters lijk, die klinken als [luk] juist te schrijven.
- leert woorden die eindigen met de letters heid en teit, juist te schrijven.


Voor meer informatie (instapkaarten)


Begrijpend lezen

Twee keer per week oefenen de kinderen begrijpend lezen. Eén keer oefenen we m.b.v. Nieuwsbegrip. Dit zijn actuele teksten waarbij elke week een andere strategie geoefend wordt. Deze strategie draagt bij tot beter begrip van de tekst. De strategieën die aan bod komen zijn: voorspellen, ophelderen van onduidelijkheden, samenvatten, vragen stellen, relaties en verwijswoorden, verbanden leggen m.b.v. signaalwoorden.

Voor de 2e les begrijpend lezen maken we gebruik van een tekst die past bij het thema MI, een tekst uit het CITO-hulpboek of een leestekst die hoort bij Blits, onze methode voor studievaardigheden.


MI

Thema natuur: bloemen en bijen

Maak een poster of een informatieboekje waar onder andere de volgende informatie aan de orde komt:

  1. Teken de dwarsdoorsnede van een bloem en zet de namen van alle onderdelen erbij:
    kelkblad, kroonblad, knop, stamper, stempel, stijl, vruchtbeginsel, stengel, helmdraad, helmknop, stuifmeelkorrels, meeldraden, wortel.
  2. Hoe worden zaden verspreid?
  3. Leg uit wat bestuiving is en hoe dit werkt.
  4. Vertel alle belangrijke zaken over bijen.
  5. Leg het verschil uit tussen bollen, knollen en zaden.

 

 

Kennis wordt door de kinderen gedeeld d.m.v. een presentatie van poster/infoboekje.





Thema verkeer:

Aan de hand van digibordlessen, verwerking m.b.v de verkeerskrantjes, oefenen van examens (digitaal), zowel op school als thuis, bereiden de kinderen zich voor op het theoretisch verkeersexamen op donderdag 5 april en het praktisch fietsverkeersexamen op
vrijdag 18 mei (in Overdinkel).

 

Thema de 2 wereldoorlogen

De leerlingen werken alleen of samen aan kaarten met opdrachten die aansluiten bij de verschillende intelligenties.

Aan het eind van het thema moet de leerling in ieder geval antwoord kunnen geven op 5 vragen:
1. Wanneer waren de Eerste en de Tweede Wereldoorlog? Welke landen waren erbij   betrokken?
2. Waarom noemen we de jaren tussen 1930 en 1940 crisisjaren?
3. Wat is de NSB? Wie was de leider?
4. Wie was Anne Frank? Wat doet de Anne Frankstichting?
5. Wie werden er in WOII vervolgd en waarom?

 

PBS

 

Elke week hebben we een regel op school die centraal staat.
Hier besteden we aandacht aan in de vorm van gedragslessen, filmpjes, voorbeelden uit de praktijk etc. We werken aan onze waarden respect, verantwoordelijkheid en veiligheid.
De kinderen kunnen gedurende de week klasgenoten nomineren. Elke maandagochtend verzamelen we in de hal beneden, waar we onze Toppers bekend maken. Zij komen met hun foto op onze wall of fame te hangen. De nieuwe regel wordt besproken en uitgebeeld door een groepje leerlingen.
Eerst een fout voorbeeld, gevolgd door een voorbeeld waarin duidelijk te zien is hoe het wel moet.

Deze periode staat centraal:


Trap:
-
We lopen rustig en aan de rechterkant van de trap.

Plein

- Wij spelen met de materialen waarvoor het bedoeld is en ruimen ze netjes op

Toilet

- We laten de toilet netjes achter voor een ander

- We wassen onze handen na toiletgebruik
Gang
- Wij lopen rustig op de gang en hangen onze jas en tas aan de kapstok
- Als we werken op de gang gebruiken we de fluisterstem

Waarden schoolbreed

- Respect, verantwoordelijkheid, veiligheid